Het archief spreekt

Via deze rubriek spreekt mijn archief, via maandelijks toegevoegde, glimlachende terugblikken op proeverijen, maaltijden, ontmoetingen en evenementen die ik de afgelopen decennia heb meegemaakt. Bovendien werden 75 van deze terugblikken gebundeld in mijn 118e boek, GEJAAGD DOOR DE WIJN. Deze rijk geïllustreerde paperback is verschenen bij Aerial Media. Meer info? Klik dan even op onderstaande banner.  

             

JULES VINS »

Mijn mooiste wijnfeest ooit beleefde ik op 23 juni 1989. In smoking begaf ik mij naar Château Lynch-Bages, in het beroemde Bordeaux-dorp Pauillac. De ongeveer vijfhonderd genodigden werden ontvangen met naar keuze een glas Lillet of witte Graves. De gelegenheid was het traditionele Fête de la Fleur, waarmee de bloei van de wijnstok werd gevierd. Het gastheerschap werd vervuld door zowel château-eigenaar Jean-Michel Cazes als de Commanderie du Bontemps de Médoc et des Graves, met als grand maître de onvolprezen Henri Martin.

Het feest bestond uit veel meer dan een viergangendiner waarbij o.a. Château Lynch-Bages 1966 en Château Margaux 1978 met gulle hand werden geschonken. Want tijdens de maaltijd vond een unieke, eenmalige theatershow plaats. Een soort musical met als thema een door Jules Verne geïnspireerde ruimtereis. Doel van deze Mission Desquet was om ‘verre volkeren te laten kennismaken met de grote wijnen van Bordeaux’. Een van de artiesten heette luitenant Rootstock, en als tolk fungeerde Lady Muscadelle.

De heroïsche avonturen die de ruimtevaarders beleefden werden kleurrijk en komisch verbeeld in vijf akten en met prachtige decorstukken, waaronder een raket. Om het geheel enigszins realistisch te maken had de producent zelfs technische adviseurs ingeschakeld, waaronder Wubbo Ockels. In totaal waren zo’n honderd mensen bij de uitvoering betrokken.

Smullend van duif à la royale en andere gerechten zat iedereen te genieten van de zo rijke voorstelling. Althans bijna iedereen. Twee Engelse tafelgenoten, David Peppercorn en diens vrouw Serena Sutcliffe, beiden Masters of Wine, vonden al die poespas maar niks en keken op verveelde wijze bijna ontstemd. Ik hoor een van hen nog zeggen ‘Can’t we just have dinner?’. Onbegrijpelijk, misschien wel onvergeeflijk. Heeft Jules Vins, pardon Verne, ooit iets geschreven over dodende blikken? Die van mij zouden zeker twee slachtoffers hebben gemaakt.



LEKKERE LEGENDE »

Het is bijna niet voor te stellen, maar van de 150 wijnhandelaren die ik anno 1982 profileerde in mijn Wijngids Nederland bestaan er bijna 130 niet meer, of niet meer als zelfstandig bedrijf. Om sommige hoeft niemand een traan te laten, maar andere inmiddels verdwenen importeurs brachten op vernieuwde wijze zoveel kwaliteit naar Nederland dat ze een bijkans legendarische status verdienen. Paarlberg & Levie bijvoorbeeld, met hun verrassende collecties uit zowel de Provence als Spanje. En zeker ook P&N Wijnkopers waarvan het witte overzichtsboekje de sleutel was tot een schatkamer vol fraaie Franse wijnen, denk alleen al aan de Bourgognes van Domaine Dujac.

Op 1 juni 1972 werd P&N opgericht door Auke Pieksman en Wim Nugteren die elkaar ontmoet hadden bij Jacobus Boelen, waar Auke de marketing deed en Wim de export.  Moedig begonnen ze met een assortiment (dat een jaar later vijftig wijnen telde) waarin Bordeaux nauwelijks voorkwam. ‘Wij zien er geen heil in om voor een eenvoudige Cru Bourgeois 10 tot 15 franc te betalen’. Wel gingen ze aan de slag met toen nog weinig bekende, hoogwaardige domein-Bourgognes en met Beaujolais. In het gelijknamige gebied hadden ze als producent Raymond Mathelin gevonden, ‘een typische, gezellige, energieke wijnboer van net veertig die enorm verguld was dat iemand uit Nederland belangstelling had voor zijn wijnen’. Op hun Amsterdamse kantoor lieten Auke en Wim een generieke Beaujolais, een Chiroubles, een Morgon en een Moulin à Vent proeven – en wat smaakten ze heerlijk, wat waren ze karaktervol.

Twee maanden later in 1973 stelde het duo wijnen voor uit de Muscadet, een andere streek waarin ze geloofden. Destijds werd de lenteachtige wijn uit dat Loire-gebied nog weinig geëxporteerd. Pierre Joël Mehat (op de foto geflankeerd door links Auke en rechts Wim), de verkoopdirecteur van het door P&N vertegenwoordigde kwaliteitshuis Chéreau-Carré,  vertelde dat Parijs veruit hun grootste markt was. Alleen al aan de drie restaurants van Prunier werden per jaar veertigduizend  flessen verkocht. De Fransman sprak ook uitgebreid over de zogeheten sur lie opvoeding ‘die sterk heeft bijgedragen tot het prestige van Muscadet en die bij Chéreau-Carré bijna vijf maanden duurt; de wijn krijgt daardoor meer bouquet, meer finesse en zijn frisheid blijft beter bewaard’.

P&N Wijnkopers  leverde behalve wijn én veel informatie daarover én een persoonlijke service. Of zoals Auke het verwoordde: ‘Je hebt de wijn zelf gekocht en brengt hem ook zelf naar je klanten’. Helaas echter, de doelstellingen van het vijfjarenplan werden niet gehaald. P&N Wijnkopers is nu alleen nog een legende. Maar wel een lékkere legende.



FIASCO IN CHIANTI »

Het was een heel avontuur, de reis naar Chianti tijdens mijn eerste jaar als fulltime wijnschrijver. Eerst vliegen naar Milaan, dan naar het treinstation met de taxi (de chauffeur probeerde een geldwisseltruc) en vanuit dit chaotische complex met de rapido (aan boord was lunchen wat de pot schaft, zo meldde de stuurse ober) naar Florence. Om daar te worden opgevangen door een vertegenwoordiger van het in 1877 gestichte wijnhuis Ruffino.

De daarna volgende toer was een zeer instructieve. Ik leerde van alles over het produceren van Chianti, keek rond in rijpingskelders en gistingshallen (nog geen roestvrij staal te zien) wandelde door wijngaarden en wijndorpen (waaronder het schilderachtige Greve met zijn galerijenplein), proefde weet ik hoeveel wijnen (met als mooiste de Riserva Ducale Gold Label 1964), hoorde een gerucht over vervalsingen in België, kreeg alle details over het consortium van Chianti Classico en maakte uitvoerige maaltijden mee.

In een wijngehucht zag ik toevallig  een huisvrouw die stro vlocht voor het toen zo populaire flesmodel waarmee Chianti werd geassocieerd, de fiasco. Dankzij een tolk kwam ik even met haar aan de praat. Ze vertelde tien flessen per uur af te leveren, en dat het stro speciaal geselecteerd was van moerasgrond, waarna men het zowel gesneden had als gedroogd en met zwavel gebleekt. Aan tafel in Ristorante Otello, bij tagliatelle met truffel, doperwten – en tot vreugde de Riserva Ducale 1969 – kreeg ik te horen dat de vlechtsters inmiddels verzekerd waren, sociale voorzieningen kregen en een pensioenregeling. Wat betekende dat een lege fiasco soms net zo veel kostte, en soms meer, dan de wijn die hij bevatte.

Een jaar later, in 1975, lanceerde Ruffino een Florentijns flesmodel ter vervanging de flacon met stro. De buikflessen met het beschermde stro worden hier en daar nog wel gemaakt, ik zag ze recentelijk nog in Livorno, maar zal door een hele generatie toch vooral worden herinnerd als kaarshouder voor thuis of als icoon van een Italiaanse trattoria. Als pure nostalgie.



CAS-ROMANÉE »

Vosne-Romanée, najaar 1988. In dit beroemde dorp proeft een bont gezelschap van Bourgondische wijnbouwers, importeurs en allerlei andere gasten een reeks rijpe gemeentewijnen, de jongste acht jaar oud. Sommige vallen tegen, zijn ietwat schraal of muf, andere daarentegen smaken heerlijk, zoals de Malconsorts 1955 van Moillard en Les Petits Monts 1979 van François Gerbet. Later worden groepjesgewijs enkele lokale domeinen bezocht. Ik heb het voorrecht om dat te doen in gezelschap van de grote kok en levensgenieter Cas Spijkers, niet wetend dat wij een decennium later zouden figureren in het tv-programma ‘Koken met Sterren’, Cas in een kokende hoofdrol, ik in een vineus bijrolletje.

Samen bezochten wij o.a. Jean-Pierre Mugneret (waarvan je mij een foto ziet knippen) die enkele van zijn voortreffelijke wijnen uit Vosne-Romanée serveerde. Ieders conditie overigens was nogal broos, want de rijk besprenkelde avond ervoor eindigde pas na tweeën, en voornoemde proeverij begon al om half negen. Cas was echter vrolijk als altijd, en genoot kennelijk nog na van het gisteren aangerichte festijn – dat onder zijn peetvaderschap had plaatsgevonden.

Terwijl de burgemeester in de gewelfde, snikhete dorpszaal zijn openingspraatje hield, kwam een man het podium op en riep, twee maal, tegen de menigte dat er een auto voor zijn deur stond. Gegniffel werd zijn deel. Het aperitief bestond uit een mierzoete Kir, het leek wel of je een pure Crème de Cassis proefde. De genodigden zaten aan drie lange tafels, elke gedekt voor 44 personen. De versiering bestond uit houders voor zeven kaarsen en bloemen, papieren slingers met druiventrosjes van karton en enkele Nederlandse vlaggetjes. Een koortje zong steeds luidere liederen.

Toen Cas Spijkers na afloop van de maaltijd een oorkonde ontving, speelden trompettisten het Wilhelmus. De lof die Cas uitbundig werd toegezwaaid bestond uit breedsprakige, zeer Franse volzinnen. Heel misschien ontgingen die hem deels. Maar hij glom – en genoot.